Stijn Streuvels en de ‘biograaf’ Hedwig Speliers -
Paul Thiers

De laatste tijd is het stil geworden rond Speliers’ biografie Dag Streuvels ‘Ik ken den weg alleen’. Het is niet uitgesloten dat die opmerkelijke stilte het gevolg is van de pijnlijke kritiek die Speliers de afgelopen maanden te verduren kreeg.

Dag Streuvels lag vanaf januari 1995 te koop in de boekhandel. Vrijwel onmiddellijk verschenen de eerste boekbesprekingen. Deze waren overwegend positief. Een drietal maanden na verschijnen werd het boek bekroond. Speliers werd alom geprezen en aan het woord gelaten. Ruim een jaar na het verschijnen werd ook harde kritiek geuit. Daarna werd het stil.

Het boek, een kanjer van bijna 700 bladzijden, was maanden vooraf, met veel reclame en zin voor sensatie in de media aangekondigd. De auteur, Hedwig Speliers (°Diksmuide, 12 juni 1932), raakte vooral bekend met zijn gedurfde, soms provocerende maar eerlijke essays. Wie die essays leest, weet in geen tijd dat hij (Speliers) geen paap (meer) is en dat hij geen poging doet om zijn allergie voor Vlaamsgezindheid te maskeren. Speliers wil ook geen uitstaans hebben met al wie of wat zich rechts van het centrum beweegt: hij denkt links(1). Speliers heeft en geeft zijn mening. Maar niemand die daar last van heeft, integendeel, het brengt wat leven in de brouwerij.

Speliers had het in zijn vroeger polemisch werk o.m. reeds uitgebreid over Streuvels en het is zeker niet alles fout of oninteressant wat hij schreef. Speliers benaderde zijn onderwerp kritisch maar objectief en met waardering. Hij deed ook aardige vondsten en bracht nieuwe stellingen naar voren. De passages(2) waar hij het heeft over ‘Streuvels’ gesplitste ‘ik’: de Stijn Streuvels die schrijft vanuit het dictaat van Frank Lateur’ zijn best lezenswaard en boeiend. En alhoewel niet iedereen het met zijn theorieën eens is, moet toch gezegd dat Speliers niet zonder invloed is geweest op de verdere Streuvelsstudie. Wie de persoon en het werk van Streuvels wil doorgronden, kan het essayistisch werk van Speliers niet negeren.

De lezer moet echter ook weten dat al wat Vlaams en/of katholiek is bij Speliers steeds de volle lading krijgt. Een paar voorbeelden: bij de herdenking van de honderdste verjaardag van de geboorte van Stijn Streuvels, schreef hij(3):

‘1971 wordt, in onze Nederlandse literatuur, een gevaarlijk jaar. Ten allen kante zullen, met de bekende oogkleppen, kleppers van allerlei pluimage Stijn Streuvels [...] herdenken. Gevaarlijk, omdat eens te meer het immense gebrek aan niveau, aan spirit, aan internationaal denken zal blijken [...] zodat het typisch Vlaamse, zich in klatergoud verhullende klerikalisme en nationalistische denken zijn triomfen zal vieren.’

(Toch was Speliers niet te beroerd om op 1 mei 1996, onder de AVV-VVK-leuze van de IJzertoren, in het stenen hart van het Vlaams-Nationalisme in Diksmuide, als gastspreker een aan Stijn Streuvels gewijde fototentoonstelling te gaan inleiden.)

En tweede voorbeeld: in Afscheid van Streuvels (1971) recapituleert Speliers:

‘Ik ben geen Streuvelsdeskundige. Wél heb ik de schijndeskundigheid blootgekrabd, lui in hun hemd gezet die Streuvels in een katholiek systeem hebben ingelijst, een maatschappelijke levenshouding aangeklaagd die maakt dat zelfs vandaag de dag de zogeheten Vlaamse doorsnee intellectueel een pummel is die geleefd wordt.’

Daarmee kunnen Demedts, Westerlinck, De Pillecyn en tutti quanti en hun lezers het stellen: Speliers is de profeet die ontwapenend eerlijk vervolgt:

‘Ik behandelde er [in vorige geschriften omtrent Streuvels, pt] mijn persoonlijke problematiek als schrijver, mijn onbehagen, mijn onrust, mijn rancune, ...’ (p. 63).

Het klinkt als een programma.

 

Stapelverliefd op zijn 55ste

De grootste waardering moet opgebracht worden voor de manier waarop Speliers en uitgever erin slaagden de media te bespelen. In de maanden die vooraf gingen aan het verschijnen van Dag Streuvels werd onverdroten aan de promotie van het boek gewerkt. Via radio en tv, in kranten en tijdschriften voerde Speliers het woord: een veelbelovende Streuvelsbiografie was in de maak. Speliers werd naar voren gebracht als de grote Streuvelsspecialist, de man die meer dan alles wist over de schrijver van De teleurgang van de Waterhoek. Wie dat in de media voor elkaar krijgt moet ongetwijfeld met een overvloed aan nieuwe gegevens voor de dag komen. De verwachtingen waren dan ook zéér hoog gespannen.

Wie Speliers enigszins kent weet dat in zijn optreden en werk de zucht naar sensatie nooit ver weg is. Uit ervaring weet hij dat wat opzien baart nooit slecht is voor de verkoop.

‘Dat de biografie lang moet zijn en van een groot of beroemd persoon vooral datgene moet benadrukken wat gewoon, zwak of slecht is, bepaalt de [huidige] mode’

is een beschouwing(4) die door Robert Lemm wel speciaal ter attentie van Speliers geschreven lijkt. Op 1 oktober 1994 al startte de campagne veelbelovend met een kranteninterview. Het Belang van Limburg titelde: Stapelverliefd op zijn 55ste. Deze uitspraak, die redacteur Karel Segers optekende uit de mond van Speliers, als zou Streuvels op zijn 55ste stapelgek geworden zijn op Marie Vermeeren (de Mira uit De Teleurgang van de Waterhoek) blijkt niet anders te zijn dan een aangedikte conclusie bij het verhaal dat Speliers gelezen heeft in Stijn Streuvels zoals hij was, een bundel herinneringen(5) aan Stijn Streuvels van Robert Verschuere. Marie Vermeeren, in haar jeugd een hupse deerne die Streuvels model liet staan voor Mira, woonde toen Streuvels het boek schreef (1924-1927) in Brugge-Assebroek en was goed bevriend met een eveneens aldaar wonende nicht van Streuvels’ vriend Torie Mulders. Streuvels en Torie brachten volgens Verschuere ‘menige’ bezoeken aan Marie Vermeeren. Verschuere schrijft (p. 200): ‘Torie en Stijn ondernamen (daartoe) menige fietstocht naar Brugge.’ In Dag Streuvels meent Speliers daaruit te kunnen besluiten: ‘De talrijke bezoeken kunnen alleen als een vorm van verliefdheid worden verklaard.’ (p. 500) Aan Het Belang van Limburg zegt hij daarover: ‘In welke mate ze (Marie Vermeeren, pt) zijn (Streuvels, pt.) vriendin is geweest, beschrijf ik in mijn boek.’Vermoedelijk bedoelt Speliers met dit laatste een boek dat nog moet verschijnen want in Dag Streuvels valt van deze beschrijving (zeg maar bewijs van zijn insinuatie) geen spoor te bekennen.

Wie vooraf de Streuvelsbiografie van André Demedts(6)‘hét standaardwerk over Streuvels’(7), ‘een meesterwerk’(8)– heeft gelezen en wat vertrouwd is met de autobiografische geschriften van Streuvels (Heule; Avelghem; Ingoyghem; Kroniek van de familie Gezelle en vele andere uitgaven) en met de overige secundaire literatuur, moet tot de conclusie komen dat in Dag Streuvels vrijwel geen noemenswaardige nieuwe gegevens worden aangebracht. Bovendien zal die lezer zich moeilijk van de gedachte kunnen ontdoen dat Speliers de figuur van Streuvels gebruikt of misbruikt als kapstok om zijn eigen ideeëngoed, zijn eigen visie op het maatschappelijk gebeuren aan op te hangen en eigen frustraties af te reageren. Speliers creëert een Streuvels die past in zijn kraam en die o.m. door verdachtmaking, spot en insinuatie,  geschikt wordt gemaakt om eigen groot gelijk door te drukken. Pijnlijk is de vaststelling dat de gespecialiseerde (?) kritiek, alvast in de periode kort na het verschijnen van de biografie, in de val is gelopen: de eerste beoordelingen waren zoals gezegd, op een paar uitzonderingen na, ongemeen gunstig.

De meeste recensenten hadden ook niet door dat Speliers in overvloed zijn teksten schaamteloos en soms bijna letterlijk van andere auteurs en van Streuvels zelf heeft afgeschreven. Dit gebeurde (enkele uitzonderingen niet te na gesproken) vrijwel altijd zonder duidelijke bronvermelding of verwijzing naar het oorspronkelijk geschrift. Menig auteur is bij het lezen van Speliers’ biografie op eigen teksten gestoten en heeft daarbij moeten vaststellen dat Speliers meestal laat uitschijnen dat hij alles zelf heeft opgespoord en gevonden. Dit overkwam ook prof. Kathryn Smits die in haar recensie(9) schreef:

‘Maar de lezer heeft er recht op te weten waar de biograaf zijn ideeën vandaan haalt, vooral als hij lange uittreksels uit het werk van andere schrijvers door zijn eigen proza vlecht. Een paar algemene opmerkingen in het ‘Nawoord’ zijn niet genoeg.’

Het boek krioelt bovendien van de fouten(10) (meestal geen drukfouten) – prof. G. Keersmaekers haalt er in de voordruk van zijn recensie(11) zeven aan ‘die met een lijst van zeven maal zeven kan aangelengd worden’.Bij de tweede druk van Dag Streuvels – gedrukt in de euforie van de goedlopende eerste uitgave (?) – is vóór het in de handel brengen een los erratablad met ruim vijftig correcties toegevoegd.

 

Met veel lof

Of er dan niets positiefs over de kanjer van Speliers te vermelden valt? Natuurlijk wel. In overvloed werd in de pers de lof gezongen. Om enig idee te hebben volstaat het enkele citaten aan te halen uit de boekbesprekingen die in de Vlaamse en Nederlandse pers verschenen: op 27 januari 1995 schreef een ‘opgetogen’ Paul de Wispelaere in De Morgen: ‘Als bijzondere uitwerking had zijn boek nog op mij, dat ik Streuvels zelf met hernieuwde belangstelling en andere ogen weer ben gaan lezen’. Volgens Kathryn Smits in De Standaard der Letteren van 4-5 februari 1995 schreef Speliers ‘een buitengewoon informatief boek over Streuvels, zijn omgeving en zijn tijd.’

Patrick Cornillie omschreef – en het moet gezegd, daarbij verwoordde hij de mening van velen – in KW-Magazine (een bijlage bij De Krant van West-Vlaanderen) van 17 februari 1995 Dag Streuvels als ‘Een boeiende en rijke biografie, die leest als een roman.’ Hierbij kan evenwel de vraag gesteld worden of de vele bladzijden duiding over de oorlogssituaties en de perikelen rond de Duitse vertalers en uitgevers zo vlot lezen? Boeien die ingewikkelde toestanden de lezer en geven de gedetailleerde en complexe uitweidingen echt meer inzicht in het leven en werk van Streuvels? De indruk blijft niet uit als wil Speliers hiermee per se zijn ruime algemene kennis exposeren (ook ergens gekopieerd?) en vooral geraffineerd insinueren dat Streuvels en al wie katholiek en Vlaams was (en is) per definitie onvaderlandse, extreemrechtse en ‘germanofiele’ sympathieën had (en heeft).

Wim Zaal looft in Elsevier van 20 mei 1995 Speliers omdat hij ‘de schrijver Stijn Streuvels langzaam verpieterde tot de burger Frank Lateur [...]. Het resultaat werd daardoor de kroon op een bijna dertigjarig, eerlijk engagement.’ Erik Verstraete titelde in Gazet van Antwerpen van 18 maart 1995: ‘Hedwig Speliers schreef definitieve biografie.’In nr. 3 van jg. 1995 van Biografie Bulletin is Pieter Jan Verstraete van oordeel dat de lacune wegens het ontbreken van een echte Streuvelsbiografie met het verschijnen van Dag Streuvels [eindelijk] opgevuld is. Volgens Filip Decruynaere in Het Volk van 12 mei 1995 schreef Speliers ‘een magistraal boek: zowel naar inhoud als naar omvang.’ Voor Jan Fontijn ten slotte in De Republiek der Letteren, de literaire bijlage van Vrij Nederland van 27 mei 1995, is Speliers’ boek ‘een goede biografie waarvan hij hoopt dat ze ook in Nederland zal gelezen worden.’

Half maart 1995 raakte bekend dat de Maatschappij voor Nederlandse Letterkunde in Leiden – met als lid van de commissie van voordracht o.m. de ‘opgetogen’ recensent Paul de Wispelaere(12) – haar driejaarlijkse Henriëtte de Beaufort-prijs voor de biografie voor 1995 toekende aan Hedwig Speliers’ Streuvelsbiografie, o.m.

‘wegens het wetenschappelijk karakter (van deze monumentale biografie) [dat] hoofdzakelijk bestaat uit het zo compleet mogelijke, zorgvuldige en kritische gebruik van het verspreide bronnenmateriaal.’(13)

 

Geen ‘objectief, afstandelijk biograaf’

Maar er waren ook negatieve klanken. Heel voorzichtige in het begin, als tempering van zo veel lof. Prof. Kathryn Smits werd hierboven reeds aangehaald. H.W[arren] schreef in de Provinciale Zeeuwse Courant van 10 februari 1995: ‘Veel storender [...] is dat de biografie geen lijn en structuur heeft. [...].Blijkbaar stond Speliers een heldere opzet voor ogen, maar het resultaat van het karwei is een troebel boek’.Pieter Jan Verstraete (In Biografie Bulletin, Nr. 3 van Jg. 5, 1995, p. 285) heeft vragen bij ‘het nogal vrij taalgebruik’ van Speliers:

‘Hoe weet hij bijvoorbeeld dat zijn onderwerp grinnikte bij het zien van een foto of zuchtte bij het schrijven van een bepaalde zin? [...]. moet dit werkelijk in een biografie?.’

Maar er komt meer kritiek: onder de titel De Streuvels-bijbel liet Guido Logie een geluid horen dat de teneur aankondigde van de fundamentele kritiek die later door prof. Ludo Simons, Jozef Vandemaele en prof. em. G. Keersmaekers geuit werd. Logie schreef(14) o.m.

‘Speliers is geen objectief, afstandelijk biograaf. [...]. Speliers lijkt het Streuvels kwalijk te nemen dat hij niet naar het linkse vrijzinnige kamp overstapte, maar binnen het rechtse katholieke bleef – hoe ‘lauw’ hij ook was – en bij tijd en wijl Vlaams-nationalistische sympathieën had.’

Op 30 april 1996 hield prof. L. Simons in Antwerpen (Ufsia) een voordracht over Stijn Streuvels. Het kon niet anders of Dag Streuvels. ‘Ik ken den weg alleen’kwam aan de orde. Aan de hand van enkele voorbeelden wees hij op de onaanvaardbare vooringenomenheid van Speliers. Hij bewees hoe Speliers in zijn boek meerdere keren de waarheid geweld aandoet en insinuaties en verdachtmakingen ‘bewijst’ met bewust gekozen onvolledige, ongegronde of onmogelijke beweringen. Simons gaf te verstaan dat soort biografie als onwetenschappelijk en bevooroordeeld af te wijzen. Tijdens de enkele minuten die hij aan Speliers’ boek wijdde bleek duidelijk dat Simons voor Speliers’ manier van benaderen enkel minachting kan opbrengen.

Onder de titel Omtrent Speliers’ ‘Dag Streuvels’ verscheen in juni 1996 in Kreatief(15) een bijdrage waarin Jozef Vandemaele de spot drijft met Speliers’ afschrijverei.De auteur zet enkele van de vrijwel letterlijk geplagieerde teksten naast de oorspronkelijke. Zonder enige moeite kon Vandemaele een vijftal bladzijden vullen met links de oorspronkelijke en rechts de door Speliers afgeschreven tekst. Het gaat maar om enkel voorbeelden uit de tientallen. Vandemaele wees er op hoe geraffineerd Speliers zijn lezer ‘op het verkeerde been’zet door bij middel van allerlei trucjes de indruk te wekken dat de geplagieerde teksten uit eigen brein komen. Vandemaele besluit met Dag Speliers, zo kennen wij den weg ook.

Wie ook de weg kent is prof. em. Gust Keersmaekers. Van zijn hand verscheen in het voorjaar van 1996 in het tijdschrift Vlaanderen(16) (15) een gereduceerde versie van de boekbespreking(17) die Keersmaekers aan Speliers’ ‘meesterwerk’ wijdde. In juli verscheen de integrale tekst in brochurevorm onder de veelzeggende en niet van enige galgenhumor gespeende titel: ‘Da’t nie goed is, is niks, madame, als ‘t maar veul is!’ In deze 14 bladzijdenlange dichte druk op 4° formaat zet Keersmaekers Speliers op zijn nummer: voortdurend steekt hij de draak met de onnoemelijk vele (tientallen) foute interpretaties, halve waarheden, ‘geroddel, spits- of grof geformuleerde beledigingen’, onmogelijkheden en met de ‘zucht naar sensatie’, het ‘éénrichtingsdenken’ en de betweterijen. Keersmaekers slaagt er iedere keer weer in, aan de hand van onweerlegbare bewijzen Speliers in de vernieling te schrijven. Het moet voor de biograaf bijzonder erg zijn, na jarenlang speurwerk en overvloedig documenteren, zijn werk als onnauwkeurig en onbetrouwbaar afgewezen te zien, en, erger nog, er bovendien van verdacht te worden ‘overijverig’te hebben ‘gespeurd naar al wat zijn ‘visie’ kon bevestigen en aanvullen’ (p. 3). Misschien had Speliers er beter aan gedaan te doen wat hij vaak dacht(18) toen hij de biografie aan het schrijven was, nl. het manuscript in zee gooien. Dag Streuvels is een verkeken kans. Waarom heeft Speliers met zijn onmiskenbare feitenkennis geen objectiever, essayistische en dus betere studie geschreven? Met dezelfde moeite had het gekund.

Het valt nu te betreuren dat zijn werk de belangstelling kreeg die het niet verdiende. De reclame deed haar werk, voor velen en voor lange tijd zal Dag Streuvels helaas erkend blijven als dé Streuvelsbiografie. De vraag moet daarbij worden gesteld of er met dit boek een positieve bijdrage tot de Streuvelsstudie gebracht werd. Het antwoord is jammerlijk negatief. De vooringenomenheid waarmede het boek is geschreven zal het blijvend hypothekeren. De lezer – die op correcte informatie uit is – zal nietsvermoedend, steeds worden geconfronteerd met een Streuvels die de ware Streuvels niet is. Dag Streuvels is een (niet als zodanig aangekondigde en minder goed gestructureerde) roman, geen biografie.

Paul Thiers

(1) Deze studie(‘Een broertje dood aan Streuvels’, pt) en het Streuvelsboek (‘Omtrent Streuvels’, pt.) dat ik in 1968 publiceerde, maken trouwens deel uit van de linkse frontvorming’. H. Speliers in Afscheid van Streuvels, J. Sonneville, Brugge, blz. 16.

(2) Zie: Hedwig Speliers, Omtrent Streuvels, J. Sonneville, Brugge, 1968,p. 140.

(3) In Hedwig Speliers, Georges Adé, Georges Wildemeersch, Albert Godfroid, Afscheid van Streuvels, J. Sonneville, Brugge, 1971, p. [11].

(4) In Robert Lemm, Ontijdige bespiegelingen. Over moderniteit en traditie in de literatuur, Kok Agora, Kampen/Pelckmans, Kapellen, 1996, p. 53.

(5) Robert Verschuere, Stijn Streuvels zoals hij was, Eigen beheer, Ingooigem, 1973, p. 200.

(6) André Demedts, Stijn Streuvels, een terugblik op leven en werk, Orion-NV Desclée de Brouwer, Brugge, 1971, 387 p.

(7) Rudolf van de Perre (dixit), Tentoonstelling André Demedts, Waregem, 1996

(8) Vic Nachtergaele (dixit), Tentoonstelling André Demedts, Waregem, 1996.

(9) Kathryn Smits, ‘Van bakker tot bibliofiel. De Streuvels-biografie van Hedwig Speliers.’ In De Standaard der Letteren, 4-5 februari 1995, p. 5

(10) Zie meer daarover: Paul Thiers, ‘Stijn Streuvels volgens Hedwig Speliers’ in: Streuvels en zijn biografen. Jaarboek 6 van het Stijn Streuvelsgenoootschap 2000 / Onder redactie van Piet Thomas,Tielt: Lannoo, 2002, p. 133-150.

(11) Gust Keersmaekers. In Vlaanderen, jg. 45, nr. 2, p. 41.

(12) In een redactioneel stukje in het Kultureel supplement van De Morgen, “Paul de Wispelaere is opgetogen”, De Morgen, 27 januari 1995, blz. 21.

(13) In Pim den Boer, Jan Fontijn en Paul de Wispelaere, ‘Advies van de commissie van voordracht’ in: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden, 1994-1995, Leiden, 1996, blz. 144. Idem in ‘Henriëtte de Beaufort-prijs voor Hedwig Speliers’ Dag Streuvels ‘Ik ken den weg alleen’ in: De vos en het Lijsternest. Jaarboek 2 van het Stijn Streuvelsgenoootschap 1996 / Onder redactie van Rik van Daele en Piet Thomas, Tielt: Lannoo, 1996, p. 327-336.

 

(14) Guido Logie, ‘De Streuvels-Bijbel’ in: Neerlandia, jg. 100, nr. 1, 1996, p. 3.

(15) Jozef Vandemaele, ‘Omtrent Speliers’ Dag Streuvels’. In Kreatief, jg. 30, nr. 2, juni 1996, p. 34-41.

(16) Gust Keersmaekers. In Vlaanderen, nr. 260, jg. 45, nr.2, 1996, p. 41.

(17) Gust Keersmaekers, ‘Da ‘t nie goed is, is niks, madame, als ‘t maar veul is!,’ C.V.K.V. vzw, Tielt, 1996.

(18) Interview in: Het Volk, 12 mei 1995, p. 16.

 
logo-kulak.jpg

©2019 Stijn Streuvelsgenootschap.

Secretariaat - Mireille Vansteenkiste
't Rode Paard 19 - 8510 Bellegem

stijnstreuvelsgenootschap@skynet.be

Inhoudelijke opmerkingen over of suggesties voor onze website, contacteer ons.